opstaan

/ˈɔpstan/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) gaan staan
    Niet bewegen, oké? Daarna kun je zelf opstaan en mag je naar huis.
    Kom eens uit je stoel en ga eens opstaan!
    Na elke val, na elke tegenslag: opstaan en verdergaan.
  2. wakker worden en uit bed gaan
    Het leven was heerlijk overzichtelijk, ik wist precies wat ik elke dag moest doen: opstaan, eten en de trail naar het noorden volgen.
  3. erga (erga) het bed verlaten
    Zorg ervoor dat je morgen op tijd opstaat.
    Joy Mensen motiveren is ook een kunst, zeg! Moeten ze één keer om zes uur opstaan voor een ander, één keer een beetje doorstappen, één keer de pauze skippen, en het gesteun en gekreun wat je vervolgens krijgt! Ik ben meer uitgeput van het aanjagen van de groep dan van het beklimmen van die laatste heuvel.
  4. inerg, kookkunst (inerg), (kookkunst) op het vuur staan
    Het gerecht staat op, nog even geduld...
  5. erga, religie (erga), (religie) uit de dood herrijzen
    Sommige christenen geloven dat bij de wederkomst van Jezus alle doden zullen opstaan.

Uitdrukkingen

  • Daarvoor moet je [veel] eerder/vroeger opstaan.Dat moet je veel beter/doordachter/handiger aanpakken

Vertalingen

Engelsstand up, rise, get up
Fransse lever, se lever, sortir du lit
Duitsaufstehen, aufstehen, aufgestellt sein
Spaanslevantarse, levantarse, estar en el fuego