opvallen

/'ɔpfɑlə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) gemakkelijk opgemerkt worden, opzien baren
    Het grote verschil met het vorig jaar viel iedereen onmiddellijk op.
    Deze ‘Pogue Mahone’ (‘kiss my arse’ in Gaelic) leek sprekend op de ‘The Dude’ uit de film ‘The Big Lebowski’ met zijn relaxte houding en opvallende charisma.
  2. opmerken, waarnemen
    Vervolgens boog hij zich naar mij toe en zei mij op een fluistertoon dat hij er zeker geen gewoonte van wilde maken om zich te bemoeien met zaken die hem niet aangingen, maar dat hij het niet kon helpen dat het hem was opgevallen dat mijn linker manchetknoop niet goed was gesloten en dat hij het zichzelf nooit zou vergeven als ik hem zou verliezen ten gevolge van zijn discretie.
    Het viel hem op dat er veel politie was maar dat ze niet waren uitgerust met witte oproerhelmen en schilden.

Vertalingen

Engelsstand out, strike
Fransfrapper, heurter
Duitsauffallen
Spaansllamar la atención