opzet

/ˈɔpsɛt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (m) de manier waarop aan iets vorm gegeven is
    De opzet van deze procedure laat veel te wensen over.
  2. (n) het onderdeel zijn van een zo gewenst plan
    Was het werkelijk opzet dat zij aangereden werd?
    Nietsvermoedende konijnen hopsten door de boomgaard en op de heuvels in de verte werden geiten gehoed, de bellen om hun nek klingelden atonaal en onregelmatig, een rustgevend geluid, omdat er geen enkele opzet achter zat.
    De zestien wielrenners uit België fietsten volgens de politie op de weg en niet op het naastgelegen fietspad. De bestuurder van een zwarte auto wilde de groep passeren. Bij het inhalen heeft de automobilist waarschijnlijk twee wielrenners geraakt. Volgens de Belgen was er opzet in het spel.

Etymologie

*hier komt de etymologie van het woord-->

Vertalingen

Engelsdesign, intention (criminal law)
DuitsAbsicht
Spaansdesignio, dolo, intención