orakel

onzijdig (het)/oˈrakəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mythologie (mythologie) persoon die geraadpleegd kan worden voor het doen van voorspellingen
    In Delfi huisde een orakel dat zich bedwelmde met dampen die uit de grond stegen en daarna raadselachtige uitspraken deed.
    Zijn bijnaam ‘de Redder’ verwierf hij in 305, toen hij de bewoners van Rhodos bijstond in hun conflict met een andere diadochus. De dankbare bevolking noemde hem vanaf dat moment Soter en vereerde Ptolemaeus op aanraden van een Egyptisch orakel als een god.
  2. profetische boodschap, vaak geformuleerd in vage bewoordingen
    Sterk verbonden hiermee is het orakel dat Homeros ontving van de Pythia, die hem waarschuwde voor een raadsel.
  3. figuurlijk, pejoratief (figuurlijk) (pejoratief) persoon die als vraagbaak dient, iemand die als alwetend wordt beschouwd
    Volgens intimi was Danny uit Amsterdam-Zuid de enige die hem de waarheid vertelde. Wilde een Hilversumse of Catalaanse televisie-interviewer Cruijff weleens schaapachtig aangrijzen als hij abracadabra had verkondigd, na thuiskomst kon het orakel in zulke gevallen op een welgemeend ‘nou, daar was dus weer geen touw aan vast te knopen!’ worden onthaald.

Etymologie

*via "oracle" van Latijn "oraculum", in de betekenis van ‘godsspraak’ aangetroffen vanaf 1556

Vertalingen

Engelsoracle
Spaansoráculo