Orangerie

vrouwelijk (de)/ˌorɑ̃ʒəˈri/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) aanbouw of vrijstaand gebouw met glazen wanden, vaak gebruikt als ruimte waar men bij koud maar zonnig weer aangenaam kan verblijven
    Reeds in 1817 liet de koning een grote orangerie bouwen, aan de oostzijde van het voorplein en grenzende aan zijn eigen vleugel. Deze orangerie werd met een zuilengang verlengd, waarmee een te bouwen theater met foyer werd verbonden; het geheel werd in 1820 voltooid en was ontworpen door architect Henry.

Etymologie

*van "orangerie", ruimte waar de sinaasappelboom (: "oranger") gekweekt kan worden en ook andere planten uit een warmer klimaat kunnen overwinteren