orde

vrouwelijk (de)/ˈɔrdə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gewenste regelmaat met het oog op een doel
    Hij bracht zijn zaken op orde.
    Ze moesten een noordoostelijke lijn volgen, daar op tweehonderd meter wat doorknippen, vervolgens naar de tweede rij prikkeldraad kruipen, een blik werpen en terugkeren met de woorden dat alles in orde was, omdat er nu eenmaal niets te zien was. {{Aut|Lemaitre, Pierre
    Dit alles zou ik geneigd zijn positief te beoordelen. Daar staat echter tegenover dat deze vaas met plastic bloemen reden geeft tot zorgen met betrekking tot de affiniteit die de nieuwe eigenaar heeft met onze tradities. Maar ik wil u niet met mijn bekommeringen vervelen. We zijn er. Dit is kamer 17, de suite die ik voor u op orde heb laten brengen.
  2. een hiërarchische organisatie
    Hij was de stichter van deze orde.
  3. biologie (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families
    Knaagdieren zijn een orde van de zoogdieren.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘regelmatige plaatsing, geregelde toestand’ voor het eerst aangetroffen in 1350

Uitdrukkingen

  • Orde op zaken stellen

Vertalingen

Engelsorder, order, order
Fransordre, ordre, ordre
Italiaansordine
Japans
Poolsrząd