orde
vrouwelijk (de)/ˈɔrdə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- gewenste regelmaat met het oog op een doelHij bracht zijn zaken op orde.Ze moesten een noordoostelijke lijn volgen, daar op tweehonderd meter wat doorknippen, vervolgens naar de tweede rij prikkeldraad kruipen, een blik werpen en terugkeren met de woorden dat alles in orde was, omdat er nu eenmaal niets te zien was. {{Aut|Lemaitre, PierreDit alles zou ik geneigd zijn positief te beoordelen. Daar staat echter tegenover dat deze vaas met plastic bloemen reden geeft tot zorgen met betrekking tot de affiniteit die de nieuwe eigenaar heeft met onze tradities. Maar ik wil u niet met mijn bekommeringen vervelen. We zijn er. Dit is kamer 17, de suite die ik voor u op orde heb laten brengen.
- een hiërarchische organisatieHij was de stichter van deze orde.
- (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit familiesKnaagdieren zijn een orde van de zoogdieren.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘regelmatige plaatsing, geregelde toestand’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Uitdrukkingen
- Orde op zaken stellen
Vertalingen
Engelsorder, order, order
Fransordre, ordre, ordre
Italiaansordine
Japans目
Poolsrząd
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek