oudheid

vrouwelijk (de)/ˈɑuthɛit/

Wat is de betekenis van oudheid?

oudheid betekent: (geschiedenis) het tijdperk van de geschiedenis van de prehistorie tot de middeleeuwen

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geschiedenis (geschiedenis) het tijdperk van de geschiedenis van de prehistorie tot de middeleeuwen
  2. een overblijfsel uit [1]

Voorbeelden van "oudheid" in een zin

  • In de oudheid was het Romeinse Rijk een bijzonder belangrijke politieke eenheid.
  • Het einde van de antieke sportcultuur In de late oudheid verdween de antieke sport.
  • De kerk bleef zich dan ook graag bedienen van de sportmetaforen die uit de oudheid waren overgeleverd: monniken werden bijvoorbeeld omschreven als Athletae Christi.
  • Hij houdt zich bezig met de studie van oudheden.

Etymologie

*Als puristische vertaling van "antiquiteit", ontleend aan de Franse term "Antiquité", sinds 1677

Vertalingen

Engelsantiquity, antiquity
FransAntiquité
DuitsAltertum
SpaansAntigüedad
Italiaansantichità