ouvreuse

vrouwelijk (de)/uˈvrøzə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrouw die in een theater of bioscoop de bezoekers naar hun plaatsen brengt
    Druppelsgewijs komen we te weten dat Louki de dochter is van een onbekende vader en een ouvreuse in de Moulin Rouge, dat ze korte tijd getrouwd is geweest met een oudere man en telkens weer alle bruggen opblaast, alle banden verbreekt en haar schepen achter zich verbrandt, eeuwig op de vlucht voor zichzelf.14 NOVEMBER 2008 Marijke Arijs
    Zo is er de historie van Bep van der Heijden-Put, die 45 jaar lang ouvreuse was in Luxor. En naast actrice Joke Bruijs en burgemeester Aboutaleb schittert bijvoorbeeld ook Nico Deflers, die als 15-jarig jochie meehielp om het puin van het bombardement op te ruimen. Tubantia Marcel Potters 12-01-2017

Etymologie

* van "ouvreuse", in de betekenis van ‘vrouw die plaats aanwijst’ voor het eerst aangetroffen in 1870

Vertalingen

Engelsusherette