overschoen

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. schoeisel (schoeisel) een (vaak rubberen) schoen die ter bescherming tegen nat en vuil over een andere wordt aangetrokken
    Daarna sloeg ze een grote sjaal om haar hoofd, trok overschoenen en de luipaardbontjas aan en was verdwenen.
  2. condoom (uit: Mieters! Door Wim Daniels)

Vertalingen

Engelsgaloch
Fransclaque
DuitsÜberziegschuh
Spaanschanclo, chanclo de goma, galocha
Italiaansgaloscia