overvallen

meervoud/ˌovərˈvɑlə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) bij verrassing iemand belagen of overweldigen
  2. ov (ov) bij verrassing een pand (bank, woning e.d.) aanvallen (om bijv. te beroven)
    De bank hoeft niet meer overvallen te worden als zij bankroet is.
  3. ov, figuurlijk (ov) (figuurlijk) zodanig verrassen en verbazen dat je er niet direct een antwoord op hebt
    Tijdens hun verblijf in orbit wordt elk van hen op enig moment overvallen door een hevig verlangen: het verlangen om nooit meer weg te gaan.
    (foto Wout Berger) De pastorie in mijn dromen Het was een indringende ervaring geweest voor mij toen ik op 1 februari 1993 in de auto werd overvallen door het geluid van het eerste over het rampgebied vliegende vliegtuig.
    Haar simpele antwoord overviel me een beetje.
werkwoord
  1. erga (erga) naar een bepaalde kant vallen.
    De totempaal is overgevallen door de sterke windvlaag.
  2. erga, verouderd (erga) (verouderd) naar de vijand overlopen Arch. (1811) Nederduitsch taalkundig woordenboek. P. Weiland 1807-1811.

Etymologie

*[B] "overval" met de uitgang -en

Vertalingen

Engelsambush, raid, raid
Fransembusquer, effectuer un raid, braquer
Duitsüberfallen, überfallen, überfallen
Spaansemboscar, atracar, acometer