overzijde

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈovərˌzɛidə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de andere kant dan waar men is
    Omdat de school aan de overzijde van het kanaal was, moest ik altijd de brug over.
    Met een polsstok naar de overzijde springen heet fierljeppen.