paars

onzijdig (het)/pars/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleur (kleur) diverse kleurschakeringen tussen blauw en rood
    In de katholieke kerk is paars de kleur van boetedoening en rouw.
    Wilde bloemen: spetters rood en paars, kanariegele bloemblaadjes die bewogen in de bries.
  2. paarse kleurstof
    Tussen al die verfpotten kan ik het paars niet vinden.

Etymologie

*via Middelnederlands "pers" van "pers" "met een kleur tussen blauw en groen", in de betekenis van ‘kleurnaam’ voor het eerst aangetroffen in 1296

Vertalingen

Engelspurple, purple
Franspourpre, mauve, pourpre
DuitsViolett, violett
Spaansmorado, violeta, morado
Turksmor, eflatun, erguvani