paasvuur
onzijdig (het)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een groot vuur dat men op eerste of tweede Paasdag aansteektZondagavond zijn er veel paasvuren ontstoken in het oosten van Nederland. De grootste brandt in het Overijsselse Dijkerhoek. Daar werd het paasvuur rond 20.00 uur aangestoken.de Telegraaf 16 apr. 2017 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/126544/paasvuren-in-oosten-van-nederland-grootste-vuur-in-dijkerhoek Paasvuren in oosten van Nederland: grootste vuur in Dijkerhoek]De ANWB verwacht dat vrijdag veel dagjesmensen erop uit trekken. Verder wordt het met name maandag (tweede paasdag) druk, door dagtripjes en terugkerend vakantieverkeer. Rond de paasdagen openen veel pretparken weer hun deuren. In het oosten van het land gaan veel mensen kijken naar de paasvuren.de Telegraaf 14 apr. 2017 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/123358/paasdrukte-komt-op-gang Paasdrukte komt op gang]
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek