paf
mannelijk (de)/pɑf/
Betekenis
tussenwerpsel
- het geluid van een korte knal, bijvoorbeeld van een pistoolEn, paf! Er klonk een schot en hij lag gewond op de grond.
zelfstandig naamwoord
- het roken, met name van tabakDe jeugd in dat land is nog aardig aan de paf.
- het geluid van een afgeschoten vuurwapen
- verbaasd staand
- opgeblazenIk loop voor het Mariabeeld om de gang in, en opeens wordt de paffe stilte gespleten door een schreeuw.Bavo Claes. 'Kraai'
Etymologie
*, : (klanknabootsing)
Uitdrukkingen
- Paf staan — verbaasd of verbijsterd zijn
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek