pak
/pɑk/
Wat is de betekenis van pak?
pak betekent: (algemeen) hoeveelheid die een geheel vormt
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (algemeen) hoeveelheid die een geheel vormt
- verpakt voorwerp
- een grote hoeveelheid die iets helemaal bedekt
- (kleding) een kledingcombinatie bestaande uit ten minste een jasje en een broek of rok; gewaad, kostuum
- (kleding) een kledingstuk dat het hele lichaam omvat
- (dierkunde) een groep wolven
Voorbeelden van "pak" in een zin
- Er kwam met Kerst een groot pak met de post.
- Barbie werd uitgelachen dat hij al drie weken lang alleen maar ‘ramen bomb’ at (een pakje noedels met een pakje aardappelpuree en een blik tonijn door elkaar).
- Er is een dik pak sneeuw gevallen
- Ik duwde de deur met beide handen open en zag dat er ’s nachts een dik pak sneeuw was gevallen, waarvan een stukje geel kleurde toen ik er mijn waterfles in leegde.
- Hij kocht voor de gelegenheid een nieuw pak.
Etymologie
* Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘bundel’ voor het eerst aangetroffen in 1244
Uitdrukkingen
- Bij de pakken neerzitten — Het niet meer zien zitten
- De jongste ezel moet het pak dragen — de jongste moet de vervelende klusjes opknappen
- Een pak van mijn hart zijn — een geruststelling zijn
- In het pak genaaid zijn
- Met pak en zak (gaan) — met veel bagage gaan
- Niet bij de pakken neerzitten
- Van hetzelfde laken een pak zijn — identieke situatie
- : pak
Vertalingen
Engelspacket, pack, load
DuitsPaket, Päckchen, Haufen
Russischпакет, груз, костюм
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek