paleolithicum
onzijdig (het)/ˈpalejoˌlitikʏm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (archeologie) eerste periode van de steentijd, waarin mensen alleen door voedsel verzamelen en jacht in hun bestaan voorzien en eenvoudige werktuigen maakten door schilfers van stenen af te slaan, waar vanaf 3,3 miljoen jaar geleden aanwijzingen voor zijn, tot de tijd dat men ook planten ging zaaien, dieren ging houden en samengestelde stenen werktuigen maakte, waarvan na 20.000 voor Chr. de eerste voorbeelden worden gevondenIn de Lage Landen is het paleolithicum te dateren tussen 1.300.000 en 12.000 jaar geleden.
Etymologie
*van "Paleolithic" , als naam voor het tijdperk in 1865 voorgesteld door de 19e-eeuwse Engelse archeoloog gevormd uit παλαιός (palaiós) "oud" en λίθος (líthos) "steen", dus: "oude steentijd", in deze betekenis in het Nederlands aangetroffen vanaf 1925
Vertalingen
EngelsPalaeolithic, Paleolithic
FransPaléolithique
DuitsPaläolithikum
SpaansPaleolítico
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek