pand

onzijdig (het)/pɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (m) (kleding) een deel van een jas (slip), een jaspand
  2. (n) een gebouw (huis)
    „Wij hebben de gemeente een voorstel gedaan om tot een oplossing te komen. Als Struis tegen een symbolisch bedrag een pandje zou kunnen terugkopen van de gemeente welke hij eerder aan de gemeente verkocht (het gaat om het pand Nieuwe Markt 1G, red.), dan zou dit compensatie bieden.” Tubantia Buurman ‘Viking’ vraagt rechter om bouwstop filmtheater [https://www.tubantia.nl/deventer/buurman-viking-vraagt-rechter-om-bouwstop-filmtheater~aac2d1c4/ Judah Bolink 23-04-19]
  3. juridisch (n) (juridisch) een zakelijk recht op het roerend goed van een ander om met voorrang een vordering te kunnen verhalen
  4. transport, waterbeheer (n) (transport)(waterbeheer) een stuk kanaal of vaart dat tussen twee sluizen gelegen is

Etymologie

* In de betekenis van ‘onderpand’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1210

Vertalingen

Engelspremises, reach
Fransimmeuble, bief
DuitsGebäude, Staustrecke
Zweedsfastighet