pantalon
mannelijk (de)/ˌpɑntaˈlɔn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleding) een lange broekEr viel as van mijn sigaret op mijn pantalon terwijl ik de naam van die stad uitsprak. Hij had het gezien en voordat ik kon protesteren, had hij een van zijn witte handschoenen uitgetrokken en wijdde hij zich met volledige aandacht aan het werkje om mijn broekspijp daarmee af te kloppen. Hij had magere, donkere handen.
Etymologie
*van "pantalon", een (eponiem) dat verwijst naar een personage uit de Italiaanse commedia dell'arte dat vanwege zijn magere benen een lange broek droeg in plaats van de in die tijd gebruikelijke kniebroeken; in de betekenis van ‘lange broek’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1809
Vertalingen
Engelstrousers
Franspantalon
DuitsHose
Spaanspantalón
Italiaanspantaloni
Turkspantolon
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek