pap

mannelijk/vrouwelijk (de)/pɑp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) gerecht dat meestal bestaat uit melk die is gebonden met een zetmeelproduct zoals meel
    Kinderen eten vaak pap.
    Er werd pap gekookt boven het houtvuur en een broodje voor de lunch bereid.
  2. substantie die uiterlijk op het gerecht lijkt, maar geen voedsel is
    Als de pap volgens recept in orde is, komt ze in een bassin waarin een cilinder ronddraait die is bespannen met enkele gazen van brons. In het bovenste gaas zijn reliëfs geperst, die de basis vormen van het watermerk. De cilinder neemt de pap op en zuigt het water er grotendeels uit. Zo ontstaat op de plek van de reliëfs verschil in papierdikte.
zelfstandig naamwoord
  1. informeel (informeel) vader
    Hoi pap, hoe is het nu met je?

Etymologie

* [B] (verkorting) van "papa"

Uitdrukkingen

  • De krenten uit de pap halen/vissenZichzelf de meest aantrekkelijke, interessante e.d. dingen toe-eigenen (van een toegewezen taak e.d.)
  • Een vinger in de pap hebbenIets te zeggen hebben, ergens inspraak en/of invloed hebben
  • Er wel/geen pap van lustenIets wel of niet lekker/leuk e.d. vinden
  • Er pap op leggenStoppen met werken
  • Geen pap meer kunnen zeggenHelemaal vol met eten zitten; erg moe of uitgeput zijn
  • Het zout in de pap niet verdienenNiet genoeg verdienen
  • Het zout in de pap niet waard zijnNiets waard zijn
  • Beter de buik gebarsten dan de pap bedorven.Al het voedsel wat snel bederft, moet worden opgegeten

Vertalingen

Engelspap
Fransbouillie
DuitsBrei
Spaansgachas, papilla