pap
mannelijk/vrouwelijk (de)/pɑp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) gerecht dat meestal bestaat uit melk die is gebonden met een zetmeelproduct zoals meelKinderen eten vaak pap.Er werd pap gekookt boven het houtvuur en een broodje voor de lunch bereid.
- substantie die uiterlijk op het gerecht lijkt, maar geen voedsel isAls de pap volgens recept in orde is, komt ze in een bassin waarin een cilinder ronddraait die is bespannen met enkele gazen van brons. In het bovenste gaas zijn reliëfs geperst, die de basis vormen van het watermerk. De cilinder neemt de pap op en zuigt het water er grotendeels uit. Zo ontstaat op de plek van de reliëfs verschil in papierdikte.
zelfstandig naamwoord
- (informeel) vaderHoi pap, hoe is het nu met je?
Etymologie
* [B] (verkorting) van "papa"
Uitdrukkingen
- De krenten uit de pap halen/vissen — Zichzelf de meest aantrekkelijke, interessante e.d. dingen toe-eigenen (van een toegewezen taak e.d.)
- Een vinger in de pap hebben — Iets te zeggen hebben, ergens inspraak en/of invloed hebben
- Er wel/geen pap van lusten — Iets wel of niet lekker/leuk e.d. vinden
- Er pap op leggen — Stoppen met werken
- Geen pap meer kunnen zeggen — Helemaal vol met eten zitten; erg moe of uitgeput zijn
- Het zout in de pap niet verdienen — Niet genoeg verdienen
- Het zout in de pap niet waard zijn — Niets waard zijn
- Beter de buik gebarsten dan de pap bedorven. — Al het voedsel wat snel bederft, moet worden opgegeten
Vertalingen
Engelspap
Fransbouillie
DuitsBrei
Spaansgachas, papilla
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek