paradox
mannelijk (de)/paraˈdɔks/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- schijnbare tegenspraak
Etymologie
*van "paradoxe", dat via Latijn "paradoxum" teruggaat op "παράδοξος" (parádoxos) "wat afwijkt van wat algemeen verwacht wordt"; in de betekenis van ‘schijnbare tegenstrijdigheid’ voor het eerst aangetroffen in 1634
Vertalingen
Engelsparadox
Fransparadoxe
DuitsParadoxon
Spaansparadoja
Poolsparadoks
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek