paraplu
mannelijk (de)/ˌparaˈply/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regenMet zulke donkere wolken buiten zou ik maar een paraplu meenemen.
- iets met de vorm van het bij [1] genoemde, maar met een andere functieEr was weinig tot geen beschutting tegen de bloedhete zon en ik klapte al snel mijn zilveren paraplu uit.
- (figuurlijk) overkoepelend geheel
Etymologie
* Afgeleid van het Franse parapluie. In de betekenis van ‘regenscherm’ voor het eerst aangetroffen in 1786 ()
Uitdrukkingen
- Aju paraplu! — Informele afscheidsgroet
- Onder de paraplu vallen van.... — Horen bij (een grotere organisatie e.d.)
- Onder moeders paraplu — Op een veilige plek
- Zijn paraplu opsteken — De verantwoordelijkheid voor iets afschuiven
Vertalingen
Engelsumbrella
Fransparapluie
DuitsRegenschirm
Spaansparaguas
Italiaansombrello
Portugeessombrinha, guarda-chuva
Russischзонтик
Chinees傘
Japans傘, かさ, kasa
Turksşemsiye
Poolsparasol, parasolka
Zweedsparaply
Deensparaply
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek