Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

parketteur

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon die houten vloeren legt
    In een jaar tijd heeft zijn carrière een enorme wending genomen: hij was parketteur en werd uitvaartverzorger. Rob Panman is 35 jaar en legde 6 jaar lang als zzp-er parketvloeren, totdat de crisis toesloeg. Ineens rinkelde de telefoon niet meer en zat hij werkloos thuis. Het kan verkeren.
    De Ambachtsacademie brengt het ouderwetse leerling-gezel-meestersysteem terug in Nederland. De academie koppelt leerlingen aan leermeesters in de praktijk, om hen om te scholen tot ambachtsman – of vrouw, zoals lijstenmaker, parketteur of pianotechnicus.

Etymologie

* van parketteren