past
/pɑst/
Wat is de betekenis van past?
past betekent: tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
Betekenis
werkwoord
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
- gebiedende wijs meervoud van passen
Voorbeelden van "past" in een zin
- Jij past.
- Hij past.
- Past!
- ' Maar Thea wordt net zo'n vrouw als Rebecca Bosman, die nog in de kleren past die ze op Thea's leeftijd droeg.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek