past

/pɑst/

Wat is de betekenis van past?

past betekent: tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen

Betekenis

werkwoord
  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
  3. verouderd_in_het_nederlands, woorden met boekreferenties gebiedende wijs meervoud van passen

Voorbeelden van "past" in een zin

  • Jij past.
  • Hij past.
  • Past!
  • ' Maar Thea wordt net zo'n vrouw als Rebecca Bosman, die nog in de kleren past die ze op Thea's leeftijd droeg.