pateen
vrouwelijk (de)/paˈten/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) (katholiek) (anglicaans) schotel voor de hostie, waarop deze tijdens de Heilige Mis wordt neergelegd en waarboven deze later wordt gebroken
Etymologie
*van Middelnederlands "patene", dat weer is ontleend aan Latijn "patena"
Vertalingen
Engelspaten
Spaanspatena
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek