pathos
onzijdig (het)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het aandoenlijke, de bezieling
- (pejoratief) hoogdravendheid, bombast
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘hoogdravendheid’ voor het eerst aangetroffen in 1778
Vertalingen
Franspathos
Spaanspatetismo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek