paus
mannelijk (de)/pɑus/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) (religie) hoofd van de rooms katholieke kerk en bisschop van RomeNaast kerk en paus kwamen de afzonderlijke naties voorzichtig op, in het bijzonder Engeland, Frankrijk en Spanje, waar vorsten de macht naar zich toe trokken en het bestuur centraliseerden.Ik had er enthousiaste verhalen over gehoord en had een kamer geboekt in hotel De Gouden Leeuw, gevestigd in een pand dat eind vijftiende eeuw na een stadsbrand was herbouwd en waar pastoor Adriaan Floriszoon Boeyens, de latere en enige Nederlandse paus Adriaan vi, moet hebben geresideerd.
- (beroep) (religie) hoofd van de Koptisch-Orthodoxe Kerk en bisschop van Alexandrië
Etymologie
*Van het Latijnse papa (bisschop, paus), dat op zijn beurt komt van het Griekse papas (vader).
Uitdrukkingen
- hij is te Rome geweest en heeft de paus niet gezien — hij heeft het belangrijkste gemist
- hoe dichter bij de paus (of bij Rome), hoe slechter christen
- roomser dan de paus zijn — overdreven nauwgezet of strikt zijn
- : paus
Vertalingen
Engelspope
Franspape
DuitsPapst
Spaanspapa
Italiaanspapa, pontefice
Portugeespapa
Russischпапа римский
Chinees教皇
Japans法皇
Koreaans로마 교황
Poolspapież
Zweedspåve
Deenspave
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek