perzik

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈpɛrzɪk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. fruit, voeding (fruit) (voeding) sappige vrucht van de perzikboom
    Ik eet vaak perziken.
  2. plantkunde (plantkunde) perzikboom

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘vrucht’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelspeach
Franspêche
DuitsPfirsich
Spaansdurazno, melocotón
Italiaanspesca
Portugeespêssego
Russischперсик
Chinees桃子
Japans
Koreaans복숭아
Arabischخوخ
Turksşeftali
Poolsbrzoskwinia
Zweedspersika
Deensfersken