peuk
mannelijk (de)/pøk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaarDe roker gooide de peuk achteloos weg.
- (informeel) sigaretIk ga even peuken halen.De man ging bij het vuur zitten en stak een peuk op, net als de Marlboro-man uit de oude reclames.
Etymologie
* In de betekenis van ‘kort eindje van sigaar of sigaret’ voor het eerst aangetroffen in 1897
Vertalingen
Engelsbutt, stub, fag
Fransmégot
DuitsKippe, Stummel
Spaanscolilla, pitillo
Italiaanscicca, mozzicone, mozzicone di sigaretta
Zweedsfimp, cigg, tagg
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek