piercing

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het doorboren van bepaalde lichaamsdelen (bijv. de oorlellen, neusvleugels, tepels of tong) om een — meestal metalen — sieraad te laten zetten
  2. sieraden (sieraden) het ringetje, staafje enz. dat in de onder [1] genoemde doorboring wordt geplaatst
    Zij heeft een piercing laten zetten.

Etymologie

* van piercen

Vertalingen

Engelspiercing
Franspiercing, perçage
DuitsPiercing
Spaanspirsin
Italiaanspiercing