pijp
mannelijk/vrouwelijk (de)/pɛi̯p/
Wat is de betekenis van pijp?
pijp betekent: buis
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- buis
- broekspijp
- tabakspijp
- orgelpijp
Voorbeelden van "pijp" in een zin
- Lichtjes die branden tot aan de zee, drukte in de straten, getoeter, een motorfiets die met knallende pijp optrekt, een hond die blaft.
- Hij steekt zijn hand in zijn zak om er een aardewerken pijp met een lange steel uit te halen.
- Hij schreef later in zijn verslag dat hij 'met zijn pijp tussen zijn tanden geklemd' nog net op tijd de autobumper had kunnen vastgrijpen en overeind had kunnen krabbelen.
- Pogue stak zijn pijp op en ging languit onder een boom een boek lezen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘rookgerei’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1693
Uitdrukkingen
- de pijp uit gaan — doodgaan
- de pijp aan Maarten geven
- [[de pijp aan Maarten geven — De pijp aan Maarten geven]]|opgeven, doodgaan|num=3
- een lelijke/ zware pijp roken — door eigen schuld in moeilijkheden komen|num=3
- [[pijpenstelen regenen — pijpenstelen regenen]]|heel hard regenen|num=3
Vertalingen
Engelspipe, tube
Spaanspipa, tubo, pernera
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek