pis

mannelijk (de)/pɪs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. urine
    Hij stond met zijn laars in de pis.
    Wanneer hij 's ochtends wakker werd onder zijn Noorse donzen dekbed, het enige wat hij had bijgedragen aan de inrichting, de Zweden gaven er nog steeds de voorkeur aan om onder gewone dekens kou te lijden, lag er een dunne ijslaag op het waswater in de kan bij zijn wastafelkast, soms was zelfs de pis in de van een blauw patroon voorziene pot onder het bed bevroren.

Etymologie

*van Middelnederlands "pisse", in de betekenis van ‘urine’ aangetroffen vanaf 1330

Vertalingen

Engelspee, urine
Spaansorina