pis
mannelijk (de)/pɪs/
Wat is de betekenis van pis?
pis betekent: urine
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- urine
Voorbeelden van "pis" in een zin
- Hij stond met zijn laars in de pis.
- Wanneer hij 's ochtends wakker werd onder zijn Noorse donzen dekbed, het enige wat hij had bijgedragen aan de inrichting, de Zweden gaven er nog steeds de voorkeur aan om onder gewone dekens kou te lijden, lag er een dunne ijslaag op het waswater in de kan bij zijn wastafelkast, soms was zelfs de pis in de van een blauw patroon voorziene pot onder het bed bevroren.
Etymologie
*van Middelnederlands "pisse", in de betekenis van ‘urine’ aangetroffen vanaf 1330
Vertalingen
Engelspee, urine
Spaansorina
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek