pispot
mannelijk (de)/ˈpɪspɔt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een pot van metaal of kunststof waarin men zich kan onlasten
- overdrachtelijk iemand die die anderen misbruikt wordtIk heb geen zin om altijd pispotje te moeten wezen.
Vertalingen
Engelschamber pot
Spaansorinal
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek