pispot

mannelijk (de)/ˈpɪspɔt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een pot van metaal of kunststof waarin men zich kan onlasten
  2. overdrachtelijk iemand die die anderen misbruikt wordt
    Ik heb geen zin om altijd pispotje te moeten wezen.

Vertalingen

Engelschamber pot
Spaansorinal