Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.
pissigheid
vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (pejoratief) boosheid, woedeIn de Tweede Kamer zetten SP en GroenLinks woensdag voet bij stuk. Ze zijn woedend op Minister Melanie Schultz van Haegen (Infrastructuur) omdat ze NS-Sprinters niet wil laten ombouwen zodat ze voorzien worden van sanitaire voorzieningen. SP-Kamerlid Farshad Bashir dreigde met een motie van afkeuring en Ineke van Gent (GroenLinks) stelde een โmotie van pissigheidโ voor. Joop 16 maart 2011
Etymologie
* afgeleid van pissig
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek