plaag

mannelijk/vrouwelijk (de)/plax/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) door God gezonden onheil, ramp
  2. figuurlijk (figuurlijk) een wijdverspreid ongemak of fysieke bedreiging veroorzaakt door een buitensporig optreden van organismen als insecten, bacteriën, knaagdieren enz
    Een dier dat in zijn land van herkomst een normaal deel van de natuur is, kan best ergens anders een plaag veroorzaken, zoals in Australië met de konijnen gebeurd is.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn "plaga" “slag”, “wond”, in de (christelijke) betekenis van ‘(door God gezonden) onheil’ voor het eerst aangetroffen in 1240.

Vertalingen

Engelsplague, scourge
Fransplaie, fléau
DuitsPlage
Spaanscastigo, plaga
Deensplage