plaag
mannelijk/vrouwelijk (de)/plax/
Wat is de betekenis van plaag?
plaag betekent: (religie) door God gezonden onheil, ramp
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) door God gezonden onheil, ramp
- (figuurlijk) een wijdverspreid ongemak of fysieke bedreiging veroorzaakt door een buitensporig optreden van organismen als insecten, bacteriën, knaagdieren enz
Voorbeelden van "plaag" in een zin
- Een dier dat in zijn land van herkomst een normaal deel van de natuur is, kan best ergens anders een plaag veroorzaken, zoals in Australië met de konijnen gebeurd is.
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn "plaga" “slag”, “wond”, in de (christelijke) betekenis van ‘(door God gezonden) onheil’ voor het eerst aangetroffen in 1240.
Vertalingen
Engelsplague, scourge
Fransplaie, fléau
DuitsPlage
Spaanscastigo, plaga
Deensplage
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek