plagen

/xxxx/

Wat is de betekenis van plagen?

plagen betekent: (ov) iets of iemand lastigvallen, teisteren, kwellen

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets of iemand lastigvallen, teisteren, kwellen
  2. ov (ov) iemand goedmoedig pesten

Voorbeelden van "plagen" in een zin

  • Griekenland wordt geplaagd door grote financiële problemen.
  • Als ik zo afwezig was plaagde ze me vroeger wel eens door tussen neus en lippen te melden dat ze zwanger was, waarbij ik uit afwezigheid niet eens opkeek.

Betekenis en uitleg van plagen

Plagen verwijst naar het lichtelijk irriteren of pesten van iemand, vaak op een speelse of humoristische manier. Het kan ook duiden op het veroorzaken van ongemak of last, maar zonder dat er opzet tot kwaad achter zit.

Je gebruikt het woord 'plagen' vaak in situaties waar iemand iemand anders op een vriendelijke manier uitdaagt of in de maling neemt. Het heeft meestal een luchtige toon en kan zowel tussen vrienden als in familieverband voorkomen. Het is belangrijk om te weten dat plagen niet bedoeld is om te kwetsen, maar om een speelse sfeer te creëren.

Voorbeelden

  • Mijn broertje plaagt me altijd als ik bezig ben met mijn huiswerk.
  • Tijdens het kamp was het een traditie om elkaar te plagen met kleine grapjes en streken.
  • Ze plaagde haar vriendin over haar nieuwe kapsel, maar dat was meer uit liefde dan uit kwaadheid.

Woordoorsprong

Het woord 'plagen' komt van het Middelnederlandse 'plagen', wat 'vervelen' of 'kwellen' betekent. Het heeft zijn wortels in het Germaanse taalgebied.

Veelgestelde vragen over plagen

Wat is de betekenis van plagen?

plagen betekent: (ov) iets of iemand lastigvallen, teisteren, kwellen

Hoeveel betekenissen heeft plagen?

plagen heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Hoe gebruik je plagen in een zin?

Voorbeeld: “Griekenland wordt geplaagd door grote financiële problemen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘speels kwellen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265

Vertalingen

Engelsvex, tease
Fransvexer, gêner, taquiner
Duitsplagen, necken
Spaansvejar, afligir, fastidiar
Zweedsreta
Deensdrille