plak

mannelijk/vrouwelijk (de)/plɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. spul waarmee men kan plakken bijv. behangplak, lijm
  2. voeding (voeding) afgesneden stuk (schijf) van iets groters
  3. sport, informeel (sport) (informeel) medaille
  4. medisch (medisch) plaque -> tandplak

Etymologie

* In de betekenis van ‘muntstuk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1371

Vertalingen

Engelsplate, sheet, slab
Spaansloncha, lonja, placa