plak
mannelijk/vrouwelijk (de)/plɑk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- spul waarmee men kan plakken bijv. behangplak, lijm
- (voeding) afgesneden stuk (schijf) van iets groters
- (sport) (informeel) medaille
- (medisch) plaque -> tandplak
Etymologie
* In de betekenis van ‘muntstuk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1371
Vertalingen
Engelsplate, sheet, slab
Spaansloncha, lonja, placa
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek