planten
/ˈplɑntən/
Wat is de betekenis van planten?
planten betekent: (biologie) taxonomisch rijk of , waarvan de meeste leden uit cellulose bestaande celwanden hebben en aan fotosynthese doen
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (biologie) taxonomisch rijk of , waarvan de meeste leden uit cellulose bestaande celwanden hebben en aan fotosynthese doen
werkwoord
- (ov) (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
- (figuurlijk) neerzetten
Voorbeelden van "planten" in een zin
- Vaatplanten zijn planten met transportvaten voor vloeistoffen.
- U bent goed in planten kweken, dus leer me wat u weet.
- 'Nou pa, elke keer dat we een nieuw project aangaan, denk ik aan jou en vraag ik me af waar jij die eerste steen zou planten' Lauren lijkt zich even te moeten herpakken, maar heft dan haar glas.
Etymologie
*[2] van Latijn "Plantae"
Vertalingen
Engelsplant, plant
Fransplanter
Duitspflanzen
Spaansplantar, sembrar
Italiaanspiantare
Portugeesplantar
Russischсажать
Chinees種, 种, 种植
Japans植える, うえる
Koreaans심다
Arabischزرع
Turksekmek
Poolssadzić
Zweedsplantera
Deensså, plante
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek