plantensoort

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een groep planten die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en zich onderling voort kan planten
    ' Ten tijde van Darwins bezoek had Ascension slechts vijfentwintig à dertig plantensoorten, waarvan de meeste varens waren.
    Elke plantensoort heeft zijn eigen pollen; de korrels van een den lijken onder de microscoop bijvoorbeeld wel een beetje op een Mickey Mouse-gezicht (een hoofd met twee grote oren) en die van de berk zijn juist enigszins driehoekig, met een kleine opening bij het uiteinde van elke hoek.