plegen

/'pleɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) begaan, een (gewoonlijk verboden) handeling uitvoeren
    Hij pleegde een dubbele moord (misdaad , zelfmoord, plagiaat, aanslag, echtbreuk, overspel).
  2. zorgen voor
  3. auxl (auxl) gewoon zijn, vaak doen
    Hij placht iedere week naar de schouwburg te gaan.

Etymologie

* In de betekenis van ‘gewoon zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1200

Uitdrukkingen

  • bedrog plegen
  • ontucht plegen

Vertalingen

Engelscommit, do habitually, fornicate
Franscommettre, avoir l'habitude
Duitsverüben, begehen, gewohn sein
Spaanscometer, soler, fornicar
Zweedsbegå, bruka