plegen
/'pleɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) begaan, een (gewoonlijk verboden) handeling uitvoerenHij pleegde een dubbele moord (misdaad , zelfmoord, plagiaat, aanslag, echtbreuk, overspel).
- zorgen voor
- (auxl) gewoon zijn, vaak doenHij placht iedere week naar de schouwburg te gaan.
Etymologie
* In de betekenis van ‘gewoon zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1200
Uitdrukkingen
- bedrog plegen
- ontucht plegen
Vertalingen
Engelscommit, do habitually, fornicate
Franscommettre, avoir l'habitude
Duitsverüben, begehen, gewohn sein
Spaanscometer, soler, fornicar
Zweedsbegå, bruka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek