pleister

/ˈplɛistər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) (n) kalkmengsel om te gieten of muren mee te besmeren
  2. medisch (medisch) (f)/(m) dun velletje zelfklevend verband dat op de huid geplakt wordt, ter bescherming bij een kleine wond of blaar of om iets tijdelijk aan het lichaam vast te maken
    Als je je in je vinger gesneden hebt, kan je er beter een pleister op doen.
  3. figuurlijk (figuurlijk) lapmiddel dat geen echte oplossing is

Etymologie

* van Middelnederlands "plastre" / "plaister", in de betekenis van "specie waarmee gepleisterd wordt" voor het eerst aangetroffen in 1477, mogelijk via "plastre" van middeleeuws Latijn "plastrum" / "plaustrum" "kalkmengsel, pleisterzalf"

Vertalingen

Engelsplaster, plaster, sticking plaster
Fransplâtre, crépi, sparadrap
DuitsPutzmörtel, Pflaster, Heftpflaster
Spaansescayola, estuco, tirita
Italiaansgesso, stucco, cerotto
Portugeesreboco, adesivo, esparadrapo
Russischпластырь, штукатурка
Zweedsputs, rappning, plåster