plint

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een op vloerhoogte tegen een wand aangebrachte lijst, die de overgang tussen vloer en wand moet vormen
    Door de plint blijft de muur schoon bij het dweilen

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voetlijst’ voor het eerst aangetroffen in 1621

Uitdrukkingen

  • het geld klotst tegen de plinten omhoog
  • als je veel geld te besteden hebt

Vertalingen

Spaanszócalo