poëtica

vrouwelijk (de)/poˈwetiˌka/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de kunst van het dichten; de kunst van poëzie maken; de regels waaraan een gedicht moet voldoen
    Een langs-je-neus-weg-kwaliteit noemt hij dat. „Ik hou van poëzie waarin volkse taal wordt gebezigd en tegelijkertijd alle wetten van de poëtica gerespecteerd worden.” De Telegraaf PAOLA VAN DE VELDE 23 jan. 2017 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/47834/deelder-trakteert-op-rotterdamse-kost Deelder trakteert op ’Rotterdamse kost’]
    Palmen: "De poëtica is een eerbiedwaardige traditie in de literatuur. HP de Tijd 22/01 | 2010 [https://www.hpdetijd.nl/2010-01-22/je-moet-schrijven-wat-je-hart-je-ingeeft/ 'Je moet schrijven wat je hart je ingeeft']

Etymologie

* uit het Grieks