poespas

mannelijk (de)/ˈpuspɑs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. overbodige handelingen, nutteloos ritueel
    Hij wilde niets met die poespas te maken hebben.
    Hier, dit is wat je moeder geschreven heeft over deze gebeurtenis.' Op de achterkant van een gespaarde koffiezegel stond met sierlijk krullende letters:Met weinig poespas en geen religie, want dat helpt toch niet, uiteindelijk {{Aut|Sandes, David

Etymologie

*(klanknabootsing), oorspronkelijk met de betekenis ‘vreemde mengelmoes’, in de betekenis van ‘drukte’ voor het eerst aangetroffen in 1821