positief

/ˌpoziˈtif/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. taalkunde (m) (taalkunde) de stellende trap.
    De positief van zwaar, zwaarder en zwaarst is zwaar.
  2. fotografie (n) (fotografie) afdruk die, wat betreft licht en donker, overeenkomt met de werkelijkheid
  3. muziek (muziek) deel van een orgel, bestaande uit een aantal bijeenbehorende pijpen (zie b.v. rugpositief)

Etymologie

**[3] via "positif" van Latijn "positivum"

Uitdrukkingen

  • bij je positieven zijnhelder en dus niet bewusteloos zijn

Vertalingen

Engelspositive
Franspositif
Duitspositiv
Spaanspositivo