pot
vrouwelijk (de)/pɔt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (huishouden) cilindervormig voorwerp van glas of aardewerk dat meestal dient om iets te bewaren (verpakking)Kun je mij de pot met jam aangeven?Ze droeg een zware pot waarop herten en konijnen geschilderd waren, met daartussen het gezicht van de godin Venus.Het potje met mijn favoriete zwarte inkt plaatste ik binnen handbereik.
- (kookkunst) kookpot
- (sanitair) toiletpot
- (financieel) spaarpot; bij uitbreiding financiële reserve in het algemeen
- (drinken) pint, glas bier
- (spel), geheel van door de spelers ingezette bedragen, gebruikt als beloning voor de winnaars
- (spel), (informeel) (meestal als verkleinwoord) rondeDat was een leuk potje.
zelfstandig naamwoord
- (lhbt), (scheldwoord) vrouw die zich seksueel aangetrokken voelt tot andere vrouwenDe buurvrouw is een pot.
Etymologie
*[B] (verkorting) van lollepot.
Uitdrukkingen
- De dood in de pot — Iets waar alle levendigheid uit verdwenen is
- Eén pot nat — Een hele hoop van hetzelfde
- Een potje kunnen breken — Bij iemand in de gunst staan, je iets bij die persoon kunnen veroorloven
- Er een potje van maken — Het verpesten
- rond de pot draaien
- De hond in de pot vinden — Te laat komen voor het eten, waardoor de eigen portie al is opgegeten door anderen
- Eten wat de pot schaft — Eten wat er is (bij gebrek aan andere mogelijke keuzes)
- Haar pot is aangebrand — Ze is zwanger
Vertalingen
Engelsdike, dyke
Fransgouine, gousse
DuitsTopf, Lesbe
Spaanstarro, bollera, tortillera
Zweedsflata
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek