présence

mannelijk/vrouwelijk (de)/preˈzɑ̃s(ə)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. manier waarop iemands aanwezigheid indruk maakt op anderen
    Het is die innerlijke heftigheid die hem een onnavolgbare présence geeft op het toneel.

Etymologie

*van "présence"