pragmatiek

vrouwelijk (de)/ˌprɑxmaˈtik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het zich vooral door de praktijk laten leiden
    De ‘pensioendeskundigen’ zijn er niet uit. 'Tegen' pleit namelijk de zuiver technische uitleg van de pensioenwet. 'Vóór' in ieder geval de pragmatiek. Van De Nederlandsche Bank en van staatsecretaris Klijnsma (Sociale Zaken) mag het wel. Zij stellen dat het kan en dus mag. De Telegraaf 13 dec. 2013 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/1023266/pensioenrechten-naar-67-jaar Pensioenrechten naar 67 jaar?]
    Nederland gaat het voorzitterschap van de Europese Unie niet gebruiken voor vergezichten over Europa. "Wij gaan voor pragmatiek. Europa heeft nu geen behoefte aan grote visies." Dat zei minister-president Mark Rutte woensdag in een gesprek met Nederlandse correspondenten. De Telegraaf 25 nov. 2015 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/477144/rutte-verkiest-praktisch-boven-eu-vergezicht Rutte verkiest praktisch boven EU-vergezicht]
    De Britse Conservatieve Partij koppelt een fascinerend talent om zich in de nesten te werken aan nuchtere pragmatiek als het weer eens zover is. De snelle benoeming van Theresa May, die vandaag haar intrek neemt in 10 Downing Street, is een voorbeeld van het laatste. NRC 13 juli 2016 [https://www.nrc.nl/nieuws/2016/07/13/welke-brexit-wil-premier-may-3226822-a1511333 Welke Brexit wil premier May?]
  2. de tak van de taalkunde die de betekenis van taalhandelingen beschrijft waarbij ook de buitentalige context wordt betrokken

Etymologie

* afgeleid van praktijk

Vertalingen

Engelspragmatics