praline

vrouwelijk (de)/praˈlinə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. met suiker bedekte en gebrande amandel
  2. bonbon die bestaat uit een chocolade omhulsel, amandelcrème en suikerbrij, soms met een likeurtje erin
  3. bonbon in het algemeen

Etymologie

*[2][3] de betekenisverschuiving is te danken aan de maker ervan, Jean Neuhaus Jr., die in Brussel voor het eerst medische snoepjes met een chocoladelaag aan de man bracht en in 1912 de eerste gevulde chocoladebonbons.

Vertalingen

Engelschocolate truffle
DuitsPraline