prauw

mannelijk/vrouwelijk (de)/prɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een soort kano
    Hij voer met zijn prauw over de rivier.

Etymologie

*Ontstaan uit parahoe, vgl. perahu

Vertalingen

Engelspirogue
Franspirogue
DuitsPiroge
Spaanspiragua