preciezen

meervoud/prəˈsizə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geschiedenis, religie (geschiedenis) (religie) (Nederland) calvinisten in de 17e eeuw met een zeer dogmatische opvatting van hun geloof, volgelingen van de theoloog
    Bredero was Amsterdammer in een stad die bruiste van de levenslust en handelsdrift. Maar de Antwerpse nieuwkomers gaven ook aanzet tot xenofobie, en in de strijd tussen rekkelijken en preciezen dreigde het calvinistisch corset.
    Van Deursen kende de materie goed, maar behoorde ook nadrukkelijk tot het rechtzinnig gereformeerde volksdeel: de ‘preciezen’ waarmee Oldenbarnevelt het op het einde van zijn leven zo aan de stok kreeg.
  2. figuurlijk (figuurlijk) mensen die een strikt uitleg willen geven aan een bestaande opvatting
    Daarmee laait het debat weer op tussen de rekkelijken en de preciezen in het al zeven jaar oude begrotingsdebat. Zijn we er nu bovenop omdat er is bezuinigd? Of hadden we er nog veel beter voor kunnen staan als we de teugels niet zo strak hadden aangehaald?
    Als burgemeester van Nijmegen profileerde Ter Horst zich als een bestuurder die, als het om regels gaat, tot de „preciezen” behoort.

Etymologie

* afgeleid van "precies"